Meteen naar de inhoud

‘Niet alleen scherpschutter, ook ’n goede prater’

Bron: https://www.rtl.nl/lifestyle/artikel/5585717/zondaginterview-fransjesca-van-grimbergen-aalmoezenier-scherpschutter?fbclid=IwY2xjawRDLdZleHRuA2FlbQIxMQBicmlkETFtbkQ3UnB1ZXBPaWxwUzhBc3J0YwZhcHBfaWQQMjIyMDM5MTc4ODIwMDg5MgABHuQKM-5M6VVyJwXGPeNALLMf9tYVN0fkLfwAH462PhOM6ovCoLz6cVVTotnr_aem_hksPudBUl_RCmdQ6bObMhQ

“Ik heb een heel leger aan beschermengeltjes op mijn schouder zitten.” Fransjesca van Grimbergen (49) verloor haar broer en ouders al jong, maar voelde zich door hun dood altijd geborgen. Ook tijdens haar eerste missie in Kosovo. Inmiddels heeft ze haar wapens verruild voor woorden, en reist ze als aalmoezenier de wereld over om militairen te helpen. “Het is totale waanzin, al die oorlogen.”

Toen Fransjesca van Grimbergen klein was, wist ze het zeker. De hemel? Die vind je onder de grond, achter de sporthal. Dáár is de begraafplaats. Dáár ligt haar broer. En die is in de hemel. 

Gert-Jan was 14, wilde sportleraar worden, het ging mis toen hij thuis in de garage een nieuw fitnesapparaat uitprobeerde – een toestel dat later uit de handel werd gehaald vanwege een productiefout. “Ik was toen 2, herinner me weinig, maar weet wel wat Gert-Jans dood met mijn ouders deed”, vertelt ze. “Ik zag twee gebroken mensen. Wie denkt dat de tijd alle wonden heelt: dat is niet zo. Maar tegelijkertijd kan de mens meer aan dan je denkt. Vooral met hulp.”

Alleraardigste dorpspastoor ooit

Die hulp kwam voor Franjesca’s gezin in de vorm van ‘de aardigste dorpspastoor ooit’. Leo. “Hij schuwde ons verdriet niet, kwam zo nu en dan aanwaaien, Leo werd mijn grote vriend.” Ze lacht: “Op een gegeven moment was ik zo vertrouwd met die man, dat ik tijdens de zondagsmis naar hem zat te roepen: ‘Hey meneer pastoor!’ We spraken daarna af dat ik niet meer door de kerk zou roepen, maar zwaaien mocht wel. Hij streek dan voor aanvang van zijn preek met zijn vinger langs zijn neus. Zo van: ik zie je.”

Want dat deed die pastoor. Mensen zíén. “Door hem heb ik geleerd dat je verdriet niet in je uppie hoeft te dragen. Mijn ouders hebben zich er, zo goed en zo kwaad als het ging, zo bewonderenswaardig, doorheen geworsteld.”

Haar moeder hanteerde steevast als motto: we durven alles, we kunnen alles, we doen alles. “Niet heel vanzelfsprekend voor iemand die haar zoon verloor aan een noodlottig ongeluk, ze had een heel angstig persoon kunnen worden. Maar ik ben dankbaar dat het anders ging: het was de beste les om mee op te groeien. Ik leefde voor twee en greep alle kansen aan die ik kon pakken. Reizen, studeren, een motorrijbewijs, het moederschap… Ik was ervan overtuigd: er ligt een wereld voor me open.”

Vrede nastreven 

Die gedachte schoot voor het eerst door haar hoofd toen ze op het dorpsplein van haar geboortedorp Someren Heide tanks zag staan, die moesten worden gerepareerd. Ze verzamelde handtekeningen van de soldaten, kreeg schroefjes mee die ze als een schat bewaarde. 

In 1995 meldde ze zich op de Koninklijke Militaire Academie (KMA) – toe maar, ga maar, zeiden haar ouders, jij kan dit. Achttien was ze, met vijf hoge legerpiefen tegenover zich, enkel mannen. Eén van hen keek naar haar hals. Waar een klein, verfijnd peacetekentje aan hing. 

“Heb jij nu een vrédesteken om?” vroeg één van de officieren. “Is het verkeerd om vrede na te streven?” was haar weerwoord. 

Vrouwen kunnen goed richten

Het was het begin van een leven in een uniform, dat ze nu, tijdens het interview, ook draagt. Een Nederlandse vlag op haar mouw, haar naam ‘VAN GRIMBERGEN’ in hoofdletters op haar linkerborst. 

Ze leerde vechten, schieten – en goed ook. Met de Glock 17, de FAL, de Diemaco. “Vrouwen bij Defensie kunnen opvallend goed richten. Ik wil niet generaliseren, maar het gaat om focus, ademhaling, complete aandacht… Je moet er best zen voor zijn.”

Vroeger, toen haar zoon en dochter, nu twintigers, nog klein waren, kwam ze ze weleens in uniform ophalen van school. Dan was er altijd wel een kind dat vroeg: ‘Heeft u ook weleens iemand doodgeschoten?’ Fransjesca: “Ik ben dan blij dat ik ‘nee’ kan zeggen.” 

Uitzending naar Kosovo

Haar eerste uitzending was in 2000, naar een kapotgeschoten Kosovo, om noodwoningen te bouwen. Haar vader kort daarvoor overleden, aan ziekte, en ook haar moeder verloor Fransjesca jong. “Dat is verdrietig, maar door hun dood, heb ik me ook altijd geborgen geweten. Ik heb hier” – ze wijst even naar haar schouder – “inmiddels een heel leger aan beschermengeltjes zitten.”

Ze was toen net luitenant, gaf leiding aan de, voornamelijk, ‘jongens’. “Het was soms gevaarlijk, door landmijnen, natuurgeweld, veel kapotte wegen. Ik herinner me nog dat we helemaal ingesneeuwd waren.” En in de categorie: ‘Dingen die je niet vergeet’: de ontheemde Kosovaren die in de winter ‘alles opstookten wat ze konden vinden’. “Als ik nu een houtkachel ruik, van die zwarte rook weet je wel, dan denk ik aan Kosovo.”

Tekenen van hoop

Wat er altijd was, op welke plek Fransjesca ook werkte, was haar katholieke geloof. Dat zaadje, dat de dorpspastoor toentertijd in haar hart had geplant, was uitgegroeid. Ze weet nog dat ze ergens reed, op een plek die voelde als ‘een godvergeten vallei’. Maar: “God zie je op onverwachte plekken.” Daar zag ze ineens een kabbelend beekje. “Overal is schoonheid te vinden.”

God was zelfs in Afghanistan, waar elke dag bommen vielen en kogels vlogen, elke dag beschietingen – de eerste keer dat Fransjesca weer thuis was en op de eerste maandag van de maand het luchtalarm hoorde, schrok ze en wilde ze dekking zoeken onder de keukentafel. Met twee verbaasde kinderen ernaast. ‘Mama, wat doe je?’ Maar, afijn, Afghanistan: ook daar vond Fransjesca tekenen van hoop, van God, ‘hoe je het ook wil zien’. Een bloem in het stof, de zon die zich van haar mooiste kant laat zien. 

Interview Fransjesca

Haar geloof maakt haar werk dragelijker, want ja: ze is echt weleens bang geweest. Neem die ene keer, in Afghanistan, in 2009 toen ze in de meldkamer zat. Ineens klonk er een keiharde knal. “Alles schudde”, vertelt ze, “het leek wel een aardbeving. Ik dacht even: dit was het dan. Het was de eerste missie voor mij terwijl ik jonge kinderen thuis had zitten. Ik voelde ineens een kwetsbaarheid die ik eerder niet had gekend.” Er bleek een zelfmoordaanslag te hebben plaatsgevonden bij de hoofdpoort van het militaire kamp. 

Toen ze het alarm hoorde, ter teken dat iedereen naar de bunker moest, slingerde ze nog snel haar mail op haar scherm aan. Een berichtje aan het thuisfront: ‘Met mij alles goed.’

Totale waanzin

Op dat soort momenten weet ze: ik waag mijn leven. Meer dan wanneer ik in Nederland zou blijven. “Mijn man en ik hebben hier altijd goed over gepraat. En ik weet: thuis cheffen ze het wel als ik weg ben. Maar zo’n oorlog: het is totale waanzin. Maar je gáát, als je wordt uitgezonden, je gaat naar een oorlog om voor de vrede te vechten. Maar je weet het gewoon niet, of alles wat je als militair doet, goed is. Ik heb daar veel over nagedacht, hoor, toen troepen terugtrokken uit Afghanistan en de Taliban daar in rap tempo weer terrein won. Je hoopt toch dat je het verschil maakt.” 

Ze is even stil. Dan: “Ik sprak eens een moeder van een veteraan die zichzelf van het leven heeft beroofd, nadat de troepen uit Afghanistan zich moesten terugtrekken. Hij vond het zó erg dat mensen tegen hem zeiden: ‘Dus wat jullie daar deden is voor niets geweest.’ Dat was voor hem de druppel. Zijn moeder zei: ‘Hij is dertien jaar geleden op een bermbom gestapt, en die bom is nu ontploft.’

Ze spreekt regelmatig met militairen, veteranen en hun thuisfront. In 2007 ging ze, naast haar werk als militair, theologie studeren. En ja: ze had nog meer carrière kunnen maken. Ze had het kunnen schoppen tot kolonel. Tot generaal zelfs. Maar: “In Afghanistan is er iets veranderd”, zegt ze. “Na mijn terugkeer kon ik mijn plek niet meer vinden. De kleine dingen voelden ineens zo onbenullig. Ik dacht steeds vaker terug aan onze dorpspastoor. En wat die met zijn gesprekken voor ons kon betekenen. Dat wilde ik ook.”

Geen wapens, maar woorden

Sinds 2012 is Fransjesca nu aalmoezenier (legerpredikant) bij Defensie: ze is geestelijk verzorger voor militairen en hun naasten. Geen wapens, maar woorden. “Ik ben niet alleen een scherpschutter, ik kan ook goed praten. Dat past bij me. En ik kan luisteren, voor of met iemand bidden.” Begrijp haar niet verkeerd: het hóéft niet over God te gaan. “Ik ben dan wel gelovig, maar heb ook begrip voor mensen die dat niet (meer) zijn. Ik wil er voor iederéén zijn, ongeacht of en wat iemand gelooft. En als iemand boos wil zijn op God, zeg ik: ‘Dat kan ik goed begrijpen. Vertel het me maar. Misschien kan ik verlichting bieden’.”

En de vraag: ‘Als er een God bestaat, en er is zo veel oorlog, waarom doet die dan niets?’ vindt ze ook een legitieme. Of ze een antwoord heeft? “Ik heb het mezelf ook vaak afgevraagd. Toen mijn broertje overleed al. Als God Almachtig is, had Hij dan niet iets anders kunnen bedenken? En tegelijkertijd, dat kameraadschap dat wij hier leren, je riskeert, als het moet, in het uiterste geval, je eigen leven voor de ander, daarvan denk ik: dát bedoelde Jezus met barmachtigheid. God kan niet alles oplossen voor mij, maar God is er wel voor mij, voor ons. Hij brengt liefde. Hoop.”

‘Dankjewel voor mijn tranen’

Ze reist de hele wereld over, naar plekken waar militairen (landmacht, luchtmacht, marine, marechaussee) tijdelijk naartoe worden gezonden, in het buitenland zijn geplaatst. In totaal zitten er 2600 Nederlandse militairen in het buitenland, du moment. Ze heeft contact met militairen in Teheran, in Azerbeidzjan, Caïro, Tel Aviv, in de Sahel – heel dicht bij geweld tussen verschillende etnische groeperingen. 

Ze sprak militairen op kazernes, vliegbases, thuis, op de intensive care, die kanker kregen of een hartinfarct, die in een relatiecrisis of arbeidsconflict zitten, met schulden worstelen, met huiselijk geweld te maken krijgen, een zieke moeder of vader hebben, struggelen met hun trauma’s. “Laatst kwam er een veteraan naar me toe: ‘Dankjewel voor mijn tranen’.”

“De gesprekken gaan niet alleen over oorlog. Het normale leven gaat, ook voor militairen, gewoon door. En in het normale leven kun je ook op doffe ellende stuiten. Een van de zwaarste dingen was het bijstaan van een militair die afscheid moest nemen van zijn kind. Ik kon toen wel, doordat ik het verdriet van mijn eigen ouders heb gekend, een heel open gesprek met ze voeren, zonder de pijn te schuwen. Die ouders, och, ze voelden zich bij de enkels afgezaagd. Maar ze voelden door ons gesprek ook: we hebben nóg twee kinderen.”

Meer dan ooit gepraat in het leger 

Er wordt volgens Fransjesca ‘meer dan vroeger’ gepraat in het leger. “Het kan altijd beter, maar het idee dat stoere militairen niet mogen huilen of praten, raken we kwijt. Want naast dat deze mannen en vrouwen in het veld dappere dingen doen, zijn het ook gewoon dochters, zonen, vaders, moeders. Mensen die op zaterdag naar de sportclub gaan.”

Waarom praten iets heilzaams heeft? 

“Mag ik er een cliché in gooien?”
(Ja) 
“Gedeelde smart is halve smart.”

Maar er is niet alleen smart. “Ja”, zegt Fransjesca, bijna strijdlustig. “Laten we de leuke dingen niet vergeten! Laatst mocht ik bij de doop van een kindje zijn. Ik ben bij diploma-uitreikingen, de geboorte van een kind. En ik was bij een ouder echtpaar dat alles was verloren bij een orkaan, en opnieuw hun trouwgeloften wilde uitspreken. Dat vind ik zo mooi aan mijn werk: ook in tijden van ellende, hebben mensen lief.”

Oh, en die ene keer, dat ze de paus ontmoette, in Rome, in 2023. Ze sliepen in het gastenverblijf van Vaticaanstad, Domus Santae Marthae. Na het avondeten, ‘ik was bloednerveus’, zouden ze hem spreken. Ze had ‘wel honderd’ vragen aan hem. Maar toen ze paus Fransiscus zag, zei hij alleen maar tegen haar: ‘Pray for me.’ “Ik was met stomheid geslagen. Ik was vergeten dat hij ook gewoon een mens was. Met twijfels, zorgen.” Dus dat deed ze, elke dag voor hem bidden, tot hij vorig jaar stierf. 

Als aalmoezenier zit ze soms in een spagaat ,’en dat terwijl ik eigenlijk helemaal niet lenig ben’: hoe moet ze zich als geestelijk verzorger, ‘gij zult niet doden’, verhouden tot al dat geweld waar Defensie met al dat materieel toe in staat is? “Hoe meer ik praat met mensen, hoe vaker ik denk: moeten we dat wel willen? Zijn er geen andere mogelijkheden? Diplomatie? Vredesinitiatieven?” 

“En aan de andere kant: we zijn er niet alleen om oorlog te voeren, we zijn er voorál om de vrede te bewaken. En vrede is zo’n onvoorstelbaar groot goed… Dat moet soms misschien wel met geweld worden verdedigd. Soms denk ik ook: wat nou als God toekijkt? En hij ziet ons met raketten, tanks, drones in de weer? Ik zou God niet willen zijn, hoor.”

‘Mijn broer ziet alles, en beschermt mij’

Over een paar weken vertrekt ze naar Litouwen, voor drie maanden, naar de mannen en vrouwen die daar op uitzending zijn wegens de Russische oorlogsdreiging, als onderdeel van de NAVO-missie. Een keer per week gaat ze er een bezinningsmoment organiseren, met muziek (de ene keer BLØF, Di-Rect met het nummer Soldier on, de andere keer een Gregoriaans lied), kaarsen, een bijbel. Wat ze er verder gaat doen? “Ik voel het vanzelf. Waar behoefte aan is. Wie wil praten. Of wie gewoon wil zwijgen – ook goed. Zwijgen we samen.”

Het voelt goed, om weer op pad te gaan. Ver van huis, dat wel, ‘maar daar cheffen ze het wel zonder mij’, en met een volle rugzak. En daar zit ook in: haar geloof, ‘altijd binnen handbereik’. En er is nog iemand anders, altijd in de buurt. Haar broer, vanuit de hemel. “Die ziet mij. Beschermt mij.”

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *